De nieuwe arts

Cover Ziek!

 
Ik lig net in bed als de telefoon gaat. Ik weet al wat er gaat komen.
‘Ja, Jan Brouwers hier. We hebben een bloeder op de SEH en ik verwacht dat we er daarna meteen nog eentje uit de kliniek moeten doen. Ik ben er al.’
‘Ik kom eraan.’ Meteen hang ik op. Snel doe ik mijn kleren aan en stap de auto in.

Het oude autootje heb ik juist voor deze ritjes gekocht. Ik had geen zin om voor de dienstoproepen in de nachtelijke uren op mijn fiets te stappen. Met mijn personeelspas gaan alle deuren voor me open en in het donker loop ik door de gangen naar de afdeling. Het blijft speciaal om midden in de nacht in diepe stilte alle lampen aan te doen. Ik bel meteen naar de spoedeisende hulp.
‘Hoi met Esther, de endoscopieverpleegkundige. Jullie kunnen mevrouw Velt brengen hoor.’
Daarna bel ik Jan Brouwers, de Maag-Darm-Lever arts.
‘Dag Jan, met Esther. Ik ben er en de SEH is gebeld.’
Ik zet veel materiaal klaar en haal meteen twee verschillende scopen uit de droogkast. Ik ken mijn pappenheimers inmiddels wel. Bij spoedgevallen vraagt deze dokter geregeld naar andere spullen.
De scopie verloopt voorspoedig. Jan vindt al snel de locatie van de bloeding en sluit het zeer behendig. De patiënt van de verpleegafdeling kan toch nog tot morgenochtend wachten. Jan typt direct het scopieverslag en ondertussen ruim ik de kamer op.
‘Je weet dat Stefan Verbeek morgen begint?’ zegt hij opeens.
‘Wie?’ is mijn reactie.
‘De nieuwe MDL-arts.’
‘Serieus? Hebben jullie iemand gevonden?’ Ik wist dat ze al lang op zoek waren naar iemand erbij, maar dat er simpelweg niemand te vinden was.
‘Dat je dat gemist hebt, Esther. We zijn in België gaan adverteren en wat we hoopten, gebeurde. Stefan is een Nederlander die naar Antwerpen is gegaan voor de studie geneeskunde, omdat hij in Nederland uitgeloot was. Hij trouwde en bleef er werken. Inmiddels ligt hij echter in scheiding en komt zodoende toch graag weer terug naar Nederland. Voor ons is dit uiteraard fantastisch.’

De volgende ochtend ben ik er gewoon weer voor de dagdienst.
‘Joh, Esther, had je vannacht weer een oproep?’ vraagt collega Ilse.
‘Ja, maar met Jan weet je dat het opschiet.’
‘Maar Esther, jij hebt wel vaak pech hoor!’
‘Ach, het verdient wel lekker,’ met een lachje probeer ik van het onderwerp af te komen.
Ik word veel voor de bereikbaarheidsdiensten ingeroosterd. Ik heb zelf aangegeven dat te willen. Het extra geld is bijzonder welkom. Ook moet ik er niet aan denken komende kerst alleen maar in mijn eentje thuis te zitten. Ik hoop zelfs op kerstdinerklanten met ingeslikte kippenbotten en grote brokken vlees die er via dezelfde weg weer uitgehaald moeten worden. Sinds ik weer single ben heb ik mijn draai duidelijk nog niet gevonden. Het lijkt wel of ik verleerd ben om contacten te leggen. De eerste maanden vond ik dat prima, ik had ook nergens zin in.
‘Is Stefan Verbeek er al?’ vraag ik aan Ilse.
‘Ja, hij zit al bij de overdracht. Leuke vent, Esther! Heb je het rooster nog niet gezien?’
‘Nee, hoezo?’ is mijn reactie.
‘Hij loopt vandaag mee met Jan en wij tweeën staan ingedeeld bij dat scopieprogramma. Kom op, dan gaan we de kamer klaarmaken!’

Stefan is inderdaad een leuke arts. Ook aan het eind van de dag moet ik daar nog aan denken. De volgende dag kijk ik meteen op het rooster en zie helaas dat de komende dagen andere collega’s bij hem staan ingedeeld. Ik overweeg om te vragen of ze willen ruilen, maar dat durf ik uiteindelijk niemand te vragen.
Een paar dagen later is de hele afdeling uitgenodigd voor de jaarlijkse kerstborrel van de MDL-artsen. Het lukt om het scopieprogramma op tijd af te ronden en snel kleden we ons om en komen toilettasjes met make-up en flesjes parfum tevoorschijn. Als een stel pubers fietsen we naar de kroeg waar de borrel is. Het is gezellig. Er zijn veel lekkere hapjes en de drank maakt iedereen wat losser. Ik durf zelfs Stefan te vragen naar zijn ervaringen de eerste dagen.

‘Eerst nog even een drankje halen,’ is zijn reactie. ’Kom mee, dan kunnen we op de krukken bij de bar gaan zitten.’ Een beetje overrompeld loop ik met mijn nog half volle glas wijn achter hem aan. Als ik mezelf op de kruk getrokken heb, staat er ook al een nieuw glas voor me klaar. Hij vertelt leuk. Ik luister met veel plezier en haast onopgemerkt zijn de glazen weer leeg en bestelt hij opnieuw. Ons gesprek over het ziekenhuis rond zich af. Het wordt tijd voor een nieuw onderwerp, maar dat vind ik lastig. Eigenlijk wil ik vragen of hij inderdaad gescheiden is, maar dat lijkt me niet gepast. Aan andere onderwerpen kan ik verder niet denken. Er valt een stilte. Ik kijk hem lachend aan en voel dat ik begin te blozen.
‘Heb je een partner?’ vraag hij.
‘Nee,’ ik kijk naar beneden terwijl ik dat zeg.
‘Es, we gaan! Ga je mee?’ De collegaatjes zijn hun jassen aan het aantrekken.
‘Ja, ik fiets weer mee!’ roep ik terug. Nu kijk ik wel omhoog.
‘Ik moet gaan,’ zeg ik tegen Stefan.
‘Gered door de collega’s,’ zegt hij terwijl hij nog even zijn hand op mijn knie legt, voordat ik van de barkruk afglijd. ‘Morgen uit eten?’
‘Ja, leuk’ en ik loop weg. Ik voel mijn hart in mijn keel.

Het is gek om de volgende dag samen met Stefan het ziekenhuis uit te lopen. We gaan met zijn auto. Ik vind het prima. Ik ben nu al in de wolken. Ik had wel verwacht dat hij niet in een simpele auto zou rijden. De bewonderende blik voor zijn Porsche 911 ontgaat hem niet.
‘Gave auto.’ Het is eigenlijk overbodig om te zeggen, maar ik weet niets beters te verzinnen.
‘Je houdt wel van een beetje uit de band springen?’
‘Ja, ik houd zeker van mooie dingen, maar met mijn salaris schiet dat niet op.’
‘Kom, we gaan een ritje maken.’ Hij houdt de deur voor me open.

Na een uurtje toeren stoppen we bij een chique restaurant. Ik zou er zelf nooit gaan eten, maar voel me zo samen met Stefan prima op mijn gemak. We zitten naast elkaar aan een ronde tafel in een hoekje. We kunnen het hele restaurant overzien en zitten tevens beschut en knus bij elkaar. Stefan heeft zijn stoel zelfs nog iets dichterbij geschoven en tijdens het gesprek ligt zijn hand geregeld op mij arm, vervolgens been en daarna ook op mijn rug. Ik ben me erg bewust van zijn aanrakingen. Ik geniet, maar vind het ook doodeng. Ik val een beetje stil.
‘Oud zeer?’ zegt hij opeens.
‘Ja,’ zeg ik zacht, terwijl ik niet eens weet of dat wel de reden is. ‘Wel al behoorlijk oud,’ vul ik meteen aan, om te voorkomen dat hij niet meteen op me afknapt. Nu durf ik het hem wel te vragen: ‘Ik hoor dat jij gescheiden bent?’
‘Klopt. En nu laten we die zware kost maar even achter ons.’
De rest van de avond hebben we het over luchtige onderwerpen. We lachen veel, maar als ik hem aankijk voel ik dat er iets is veranderd. Onder al het oppervlakkige gekeuvel groeit iets, broeit iets.

Terug bij de auto vraagt hij waar we heen gaan.
‘Naar het ziekenhuis, naar mijn fiets’ is mijn kordate antwoord. Ik weet niet waar hij op doelt, maar het gaat me allemaal veel te snel.
Zonder verder te praten rijden we terug. Ook hij stapt uit en loopt naar mijn kant van de auto. Ik heb net de deur dichtgedaan en ben me nog aan het omdraaien als hij al bij me is. Zijn zoen overvalt me. Ik sta tegen de auto. Hij leunt tegen me aan. Op een prettige manier zit ik klem. Ik geef me over en zoen vol overgave terug.

De volgende dag hebben we geregeld even oogcontact. Er zijn echter steeds anderen bij, waardoor we er verder niet over kunnen praten. Was het iets eenmaligs? Ik hoop dat hij nog een keer wil afspreken. ’s Avonds gaat de telefoon.
‘Hai, met Stefan, ik ben al met de patiënt op de afdeling. Er is iets ingeslikt.’
‘Maar ik heb helemaal geen dienst,’ onderbreek ik hem.
‘Weet ik, maar Sandra kreeg ik niet te pakken en ik werk graag met jou. Kom je?’
Het is vreemd om de afdeling op te lopen terwijl de patiënt al in de kamer is. Snel kleed ik me om en zet alles klaar. Een jongedame ligt al op de tafel. Stefan praat met de man die met haar meegekomen is. Ik vang flarden van het gesprek op. Ze kennen elkaar, hij noemt de man zelfs bij de voornaam, Luc.
‘Ik ben klaar hoor,’ zeg ik.
Stefan draait zich om, geeft me een grote glimlach en zegt ‘dan kunnen we beginnen, want zonder jou kan ik niks.’
Ik glimlach. Het is misschien een flauwe opmerking, maar ik ben er toch gevoelig voor.
Ik probeer contact te maken met de patiënte.
‘Doe geen moeite,’ zegt Luc, ‘ze praat Portugees.’
Verwonderd houd ik mijn mond. Ook als Luc in de ruimte blijft tijdens de scopie. Al vrij snel nadat de scoop via de mond is opgevoerd, zien we waar het om gaat. Normaliter herken ik de vreemde voorwerpen die mensen inslikken wel. Dit niet. Het lijkt wel een kleine, zwarte banaan. Met veel moeite lukt het om het er weer via dezelfde weg uit te trekken. Ik weet nog steeds niet wat het is. Het lijkt wel een verbogen tandenborstel ingerold in zwart plakband. Nog voordat ik er naar kan vragen, pakt Luc het met een plastic zakje op en stopt het in zijn jaszak.
‘Luc, dit was ook wel een bijzonder formaatje,’ zegt Stefan.
‘Wat dacht je, dat ik kan aangeven hoe ik het wens te ontvangen?’ reageert Luc. ‘Als je zou weten hoe vaak dit gewoon goed gaat, zou je niet piepen.
‘Ho, ho, het was niet onaardig bedoeld,’ vervolgt Stefan snel.
‘Je snapt ook wel dat ik liever niet hier zit. En jeetje man, had je niet gewoon in Antwerpen kunnen blijven?’ Hij trekt de dame omhoog van de behandelbank. De vrouw is nog half verdoofd van het slaapmiddel. Normaal had ze moeten blijven, maar ik zeg niks. Ik voel wel aan dat hier iets vreemds aan de hand is. Ik bekijk hoe ze samen weglopen.
Daarna draai ik me om naar Stefan. Hij geeft me een envelop.
‘Goed gedaan. Sandra heb ik niet gebeld. Ik weet dat ik jou kan vertrouwen.’
Ik begrijp het duidelijk niet. Ik kijk in de envelop en zie er zoveel briefjes van vijftig euro in zitten, dat ik het niet eens meteen kan tellen. Dit kan ik toch niet houden? Maar toch geef ik het niet terug. Op de automatische piloot ruim ik alles op en ga naar huis. Ik kan de envelop ook morgen nog teruggeven.

Zodra ik de afdeling op kom lopen, schiet Stefan me aan. ‘Na gisteren heb je zeker nog een etentje van me tegoed, vind je ook niet?’
Ik twijfel even, ik moet dat geld teruggeven, maar weer doe ik het niet. Ik ben nieuwsgierig naar wat er afgelopen nacht nou eigenlijk gebeurt is. We spreken af in een eetcafé dat we beiden kennen. Stefan steekt meteen van wal. Luc was net zoals hij vanuit Nederland naar Antwerpen gekomen om geneeskunde te studeren. De Nederlandse studenten vormden daar een eigen groepje. Na een paar jaar stopte Luc toch met de studie. Zijn uitjes in het Antwerpse nachtleven hadden hem op een nieuw carrièrepad in de diamanthandel gebracht. Ze hielden contact. Vervolgens belde Luc een keer ’s avonds laat met het verhaal dat de handel niet loskwam uit een Braziliaanse dame en dat ze over een half uur in het ziekenhuis zouden zijn. Het was geeneens een vraag geweest en Stefan was gegaan. Ook toen had hij een zelfde soort pakketje in zwart tape met een scoop verwijderd. Zo had Stefan ontdekt dat Luc actief was in diamantsmokkel door bolletjesslikkers.

Ik kijk Stefan met open mond aan.
‘Ja, eigenlijk niet te geloven he? Wat je daar gisteren zag liggen was een klein vermogen aan diamanten in zwart plakband.’ Hij wenkt om nog een fles wijn te bestellen. ‘Genoeg over mij, nu over jou.’
‘Nou, zoveel spannends heb ik niet te melden,’ haak ik daarop in. Ik heb geen zin om over mijn verleden te vertellen. Het uitgaan van mijn relatie, het moeten verkopen van het huis en opeens over alles moeten nadenken of ik het wel kan betalen. Het is een compleet andere wereld.

De avond vult zich gemakkelijk met allerlei andere onderwerpen. Het bizarre diamantverhaal blijft in mijn hoofd malen. Naarmate de avond vordert, zakt dat echter weg en denk ik alleen nog maar aan Stefan. De afscheidszoen is deze keer langer en nog heftiger. Ik voel zijn handen een weg onder mijn jas zoeken en geef hem alle ruimte door mijn armen om zijn nek te slaan. We kijken elkaar aan. Wat nu? Hij wacht duidelijk op mijn vervolg.
‘Ik ga naar huis,’ zeg ik.

De dagen erna sta ik niet ingeroosterd. Het voelt goed om even afstand te nemen en alles te overdenken. Toch krijg ik minder tijd dan ik had gehoopt. Opnieuw gaat ’s avonds laat de telefoon, terwijl ik geen dienst heb.
‘He, met Stefan, Luc komt weer met een Braziliaanse schone. Kan je er over een half uur zijn?’
‘Ja,’ komt er wat aarzelend uit. Ik had het niet weer verwacht. Stom natuurlijk, want die kans zat er in.

Deze keer ben ik er wel als eerste. In de gebruikelijke routine bereid ik alles voor. Vol zenuwen wacht ik op de komst van de rest. Luc en Stefan ondersteunen de dame. Ze ziet er niet goed uit. Ik kijk ongerust naar Stefan.
‘Het is weer zo gepiept’ zegt hij geruststellend, maar zijn stem klinkt anders.
‘Zullen we er wel aan beginnen?’ probeer ik nog, maar dat was duidelijk een verkeerde opmerking. Stefan richt zich meteen tot Luc.
‘Luc, we gaan kijken, het komt vast goed, maar ik kan niks garanderen.’
‘Begin nou maar, we hebben dit takke eind niet voor niets gereden’ is zijn reactie.

Ik probeer contact te leggen en vraag in handen en voeten taal hoe ze heet. Ze snapt het. ‘Mariana’ zegt ze zacht en ze trekt de deken die ik over haar heen leg tot aan haar nek. Daarna laat ik een glazen buisje zien en beeld uit dat ze daarvan gaat slapen. Ik geef haar nog even een aai over haar schouder. Ze zakt snel weg. Dit voelt niet goed.
We beginnen met de scopie. Eenzelfde soort pakketje als de vorige keer is snel gevonden en we hebben het ook snel goed vast om eruit te kunnen trekken. Dit valt me mee. Als het er bijna uit is, zien we op de monitor bloed stromen.
‘Maak het dicht!’ roep ik in een reflex. Stefan reageert niet. Nadat het pakketje eruit is gehaald, gaat hij meteen weer terug om de plek van de bloeding te vinden. Hij is in opperste concentratie aan het zoeken naar waar hij moet zijn.
‘Stefan, je moet iets doen, zo bloed ze dood!’ zeg ik na een minuut stilte. Luc is op een stoel in de hoek gaan zitten. Hij wil hier duidelijk geen deel van uitmaken.
‘Ik kan moeilijk de OK bellen. Hoe leg ik dat naderhand uit?’ zegt Stefan.
‘Hoe leg je dan uit dat hier straks een dode Mariana ligt?’ reageer ik.
‘Oh, maar daar hoef je niet bang voor te zijn,’ reageert Luc droogjes. ‘Ik krijg haar hier wel weg.
Stefan blijft zwoegen en reageert niet.
‘Stefan, dit wordt niets. Ik bel Jan Brouwers. Hij heeft dienst, misschien is hij hier wel.’ Ik verwacht een afwijzende reactie, maar die komt niet.
‘Stefan, ik ga nu bellen hoor!’ Weer reageert hij niet.

Jan Brouwers is verbaasd dat ik hem bel. Hij is er en komt meteen. In de ravage neemt hij het van Stefan over. Vakkundig weet hij de bloeding te stoppen. Daarna kijkt hij de ruimte rond. Hij ziet Luc in de hoek zitten en kijkt nog een keer naar Mariana. Na een paar minuten stilte richt hij zich tot Stefan.
‘Stefan, we gaan het hier nooit meer over hebben en je begrijpt dat ik dit ook nooit meer mee wil maken.’ Vervolgens loopt hij weg.
‘Luc, je hoort het, dit was de laatste keer,’ geeft Stefan aan.
‘Ja, ja. Help me nou maar haar weer in de auto te krijgen,’ zegt hij terwijl hij haar al rechtop begint te trekken.
‘Ho ho, ik haal wel even een rolstoel,’ zegt Stefan.

Verbaasd kijk ik hoe ze even later samen met Mariana in de rolstoel vertrekken. Wat een openbaring was dit. Snel ruim ik alles op. Hoe kon ik zo stom geweest zijn. De fascinatie voor Stefan is ook meteen compleet weg. Dat ik mezelf hierin heb laten belanden. En dan zie ik het liggen. Het pakketje waar het allemaal om ging ligt er gewoon nog. Ik pak een plastic zakje en laat het erin glijden. Het is zwaarder dan ik had verwacht. Ik stop het in een zak van mijn uniform. Zo, dat is mijn souvenir van deze belevenis.
 
Geschreven voor de schrijfwedstrijd Schrijf een ziekenhuisthriller.
~En gewonnen!~

Advertenties

5 gedachtes over “De nieuwe arts

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s