Reddende engel

Poe

Kinderen waren mijn lust en mijn leven. Als klein meisje speelde ik vooral met poppen. Dat waren mijn kindjes. Als er gevraagd werd wat ik later wilde worden, dan was mijn antwoord steevast moeder. Niemand was verbaasd dat ik kinderverpleegkundige werd. Daar kon ik mijn zorgzaamheid voor kinderen in kwijt. Het leven lachte me toe. ‘Inge heeft het goed voor elkaar,’ zei iedereen. ‘Nog een man en eigen kinderen en dan is het plaatje compleet.’

Dat was ook zo. Ik was toen twintig jaar. De man voor mijn kinderen kon ik echter maar niet vinden. Waar had ik hem tegen moeten komen? De jongens die ik tegen kwam, waren ook echt jongens. Ze wilden plezier, uitgaan, nog niet teveel gebondenheid. Als ik over kinderen begon, waren ze meteen weg. Toen kreeg ik iets met Frank. Hij was al wat ouder dan ik. Frank was echter al getrouwd, maar zou bij zijn vrouw weggaan. Er waren steeds redenen waarom hij niet bij haar weg kon. Het duurde meer dan een jaar voordat ik het doorhad. Frank zou zijn vrouw nooit verlaten. Wat was ik boos, vooral op mezelf. Ik had zo graag een jonge moeder willen worden en die kans had ik me laten ontnemen. Dat kon al niet meer.

Daarna ontmoette ik John en leek alles goed te gaan. We praatten veel over ons toekomstige gezinsleven. Na een jaar was ik echter nog niet zwanger. Ik stelde voor om naar de huisarts te gaan. John wilde dat niet. Hij wilde er geen medisch traject van maken. Dan maar geen kinderen. Ik raakte in paniek. Gelukkig lukte het niet veel later toch. Ik was zwanger en zo gelukkig. Ik kon het niet voor me houden. Al een paar dagen later vertelde ik het aan familie en collega’s.

Na een paar weken ging het mis. In het ziekenhuis bevestigden ze dat de zwangerschap inderdaad voorbij was. Er was geen verklaring voor. Een dag later mocht ik naar huis. Ik kon het nog niet bevatten. Psychische hulp had ik echter afgeslagen. Ik snapte heus wel waarom ik me slecht voelde. Na een paar dagen zou ik dat wel een plekje hebben gegeven.

Thuis was vreemd. Ik kon uren in de babykamer zitten. Alles was al klaar voor de komst. John had het er ook wel moeilijk mee, maar hij wilde door. Hij wilde het afsluiten. Na een maand stelde hij voor de babykamer op te ruimen. Hij wilde alles op zolder zetten. Ik werd woedend. Dat was voor hem de laatste druppel. Met twee weekendtassen vol met kleding verliet hij het huis.

En toen was ik alleen. Echt alleen. Een paar dagen later belde ik mijn werk. Ik wilde het weer gaan proberen. De afleiding had ik ook nodig om mijn gewone leven weer op de rit te krijgen.

Werk was fijn vertrouwd, maar ook raar. Ik wist niet hoe ik moest reageren op de medelevende reacties van collega’s. De verzorging voor de kinderen ging prima, maar het gedrag van sommige ouders kon ik slecht hebben. Hoe was het toch mogelijk dat ouders die zo slecht met hun kinderen omgingen überhaupt kinderen hadden mogen krijgen. Waarom zij wel? Waarom hadden zij niet meegemaakt hoe lang je op die grote wens moet wachten. Dan hadden ze zich vast anders gedragen.

Aan het eind van mijn dienst liep ik nog even langs de gynaecologie afdeling. Daar had ik zelf ook gelegen. Ik hoorde babygehuil en liep de afdeling op. Op sommige kamers hadden kersverse mama’s hun baby’s in kleine bedjes naast zich staan. Verliefd keken ze naar hun kleine wonder, gaven een flesje of speelden met de grijpgrage kleine vingertjes. Zo had het ook voor mij moeten zijn. Ik moest hier weg. Ik hoorde hier niet. Dit hielp niet. En toen lag daar dat kleine meisje helemaal alleen. Het grote bed ernaast was leeg. Dat kon toch niet? Ik bleef even staan. Als de moeder naar het toilet zou zijn, dan had ze al lang weer terug kunnen zijn. Ze liet dus nu al haar kleintje in de steek! Snel pakte ik de slapende baby op. Ik kon wel goed voor haar zorgen. Ik sloeg mijn jas beschermend om haar heen en ging direct naar huis.

Thuis legde ik haar in het wiegje. Ze was inmiddels gaan huilen. Snel maakte ik een flesje en gulzig zoog ze aan de speen. Daarna gaf ik haar een badje en koos zorgvuldig een mooi setje kleertjes uit. Dit was mijn meisje. Ze sliep rustig en ook al huilde ze niet, elk half uur ging ik even kijken. Ook ’s nachts. Wat was ze mooi. Zo was het goed.

Ik meldde me weer ziek op mijn werk. Er was alle begrip dat het toch nog te zwaar was. Ik dompelde me onder in het leven van flesjes, luiers en slaapjes. Ik had genoeg voorraad in huis dat ik niet naar buiten hoefde. Dit had ik voor ogen gezien. Dit was wat ik wou. Dit simpele leven en verder helemaal niets.

Ik hoorde wel dat er berichten op mijn antwoordapparaat werden ingesproken. Ook de voordeurbel had ik een paar keer gehoord. Ik reageerde er niet op. Het eind van de melk- en luiervoorraad kwam in zicht. Ook voor mezelf was er niets eetbaars meer in huis. De laatste dagen had ik alleen nog blikken soep en blikjes mais uit mijn voorraadkast kunnen eten. Ik besefte dat ik weer naar buiten moest. Anderen onder ogen komen. Ik begon met het afluisteren van de berichten. Bezorgde familie en collega’s. Daarna volgenden wat stevigere berichten van mijn werk over gehoor geven aan de oproep van de bedrijfsarts en arbeidsrechtelijke maatregelen. Ik schrok. Ik kon mijn baan niet kwijtraken.

Ik moest terug. Hoe moest dit verder gaan? Hoe voegde ik mijn oude en dit nieuwe leven samen? Hoe legde ik het uit aan de mensen die me kenden? Dat kon niet. Het was niet mogelijk. Dat besef was er als een klein stemmetje in mijn hoofd altijd wel geweest. Alle mogelijke oplossingen waren zo al in mijn gedachten gepasseerd. Het was zodoende niet eens zo moeilijk om te doen. Ik drukte het kussen over haar heen. Ze bleef doorslapen. Er bewoog niets. Na een paar minuten liet ik het kussen los. Ik liet het liggen. Naar buiten moest ik, weg van hier.

Drie volle boodschappentassen tilde ik in de auto. Daarna reed ik door naar het tuincentrum. Ik zag treeën vol viooltjes en nam er een aantal mee naar huis. Tijd voor een nieuw begin. Thuis ruimde ik alles op en toen begon het buiten al te schemeren. In de tuin groef ik een diep gat. Zonder naar haar te kijken, pakte ik het koude lijfje uit het bedje en legde het in de kuil. Snel duwde ik een berg aarde over de rand. Weg. Ik plantte viooltjes op de vers omgewoelde aarde. Zo was het goed. Zo was het klaar.

De volgende dat ging ik naar mijn werk alsof er niets aan de hand was geweest. Ik bood excuses aan. Ik vertelde dat ik even weg was gegaan en dat het me goed had gedaan. Ik was vergeten dat te melden. Natuurlijk wist ik dat dat had gemoeten, maar ik was er zo slecht aan toe, ik had er gewoon niet aan gedacht. Daarmee was het ook op mijn werk weer goed.

Al snel hoorde ik het verhaal over de verdwenen baby. Het onderzoek van de politie had nog niets opgeleverd. Inmiddels was het ook al zo lang geleden, dat de hoop was vervlogen dat de baby gevonden zou worden. Ik luisterde geïnteresseerd en praatte mee over de slechte beveiliging van het ziekenhuis. Hoe kon er zomaar een baby verdwijnen, zonder dat iemand dat had gemerkt?

Wekenlang ging het goed. Ik had mijn oude levensritme weer gevonden, maar wel zonder John. Ik had hem niet meer gesproken. Ook hij had op het antwoordapparaat gestaan. Heel direct had hij aangegeven dat het tijd werd om de praktische zaken te regelen. Daar wilde ik niet mee bezig zijn. Als ik thuis kwam, zette ik meteen de televisie aan. Ik maakte eten en keek ondertussen naar het journaal, spelletjesprogramma’s en series. Ik keek van alles. Ook het programma Opsporing verzocht. De verdwijning van de baby werd gedetailleerd verteld. Ze wisten wel precies wanneer de baby weg was genomen, maar ze hadden geen idee wie het gedaan zou kunnen hebben.

Toch ging het weer kriebelen. Ik wilde zo graag weer even babygeluidjes horen, kleine handjes in de lucht zien grijpen en speentjes in de zuigende mondjes op en neer zien gaan. Het was zo lang geleden, dat het inmiddels wel weer kon. Het zou me juist goed doen. Ik zou merken dat ik er weer gewoon van kon genieten en dat mijn eigen pijn en verdriet een eigen plekje had gekregen. Dat stuk van mijn leven was afgesloten, voorgoed voorbij.

Zo liep ik na mijn dienst weer naar de gynaecologie afdeling. Ik hoorde direct de zachte babygeluidjes en liep langzaam door de gang terwijl ik overal naar binnen keek. Ik zag een baby haar eerste badje krijgen en bleef staan kijken. De moeder en de verpleegkundige hadden geen oog voor mij in de deuropening. Ik hoorde hoe de moeder al tegen de kleine sprak. Ik kreeg er warme gevoelens van. Dit was zo mooi en lief. Natuurlijk wilde ik dit alles ook nog steeds, maar ik kon er beter mee omgaan. Het ging goed.

Ik liep door en toen zag ik het weer. Het bed van de moeder was leeg. De baby draaide in het bedje. Hij was wakker aan het worden en het verkrampte gezichtje liep rood aan. Het mondje ging open en de kleine snikjes waren wellicht nog erger dan het harde gehuil wat je op deze afdeling geregeld hoorde. Onvoorstelbaar. Ik moest de baby troosten. Ik moest deze baby redden. Net zoals de vorige keer nam ik hem onder mijn jas, dicht tegen me aan mee naar buiten.

De deur van de babykamer was niet meer open geweest. Ik gaf de baby een speentje en legde hem op een zacht dekentje op de grond. Snel maakte ik het bedje op en legde de kleine er in. Ik moest naar de winkel voor luiers en melkpoeder. Het kon niet anders. De drogist was wel vlakbij. Na een aai over het warme wangetje besloot ik snel te gaan. Binnen een kwartier was ik terug.

Hij sliep. Hij had niet gemerkt dat ik weg was geweest. Ik maakte een flesje melk en nam hem op schoot. In een paar minuten was het flesje al leeg en kroop hij tegen me aan om verder te slapen. Ik hield hem lekker vast, totdat het tijd was voor het volgende flesje. Ik genoot. Wat was hij een heerlijke baby. Ik had een mobiel boven zijn bedje gehangen en hij volgde duidelijk de ronddraaiende dieren met zijn ogen. Ik bleef zoveel mogelijk naar hem kijken.

Het duurde slechts een paar dagen voordat de telefoon weer regelmatig overging. Ik hoorde stemmen berichten achterlaten op het antwoordapparaat, maar luisterde er verder niet naar. Ik wist dat ik zo niet door kon gaan. Ik kon dit niet lang meer voor mezelf houden. Ik deed het nog dezelfde avond. In het donker drukte ik een groot kussen in zijn bedje over hem heen. Daarna ging ik naar de tuin. De viooltjes bloeiden nog steeds. Voorzichtig groef ik een kleine rij uit en maakte een gat. Het lichaampje was nog niet eens koud toen ik het erin legde en in het donker alles meteen weer dicht maakte. Daar lagen ze dan naast elkaar. Het begon te regenen en ik ging naar binnen.

Deze keer ging ik wel weer terug naar de babykamer. Ik stopte alles in dozen en haalde de meubels uit elkaar. Alles moest opgeruimd worden. Ik moest voorkomen dat ik dit nog een keer ging doen. Het was al ver in de nacht toen ik alles op zolder had gezet. Het voelde goed zo. Ook in mijn hoofd was alles opgeruimd.

De volgende ochtend ging al vroeg de deurbel. Ik deed open. Twee agenten vroegen of ze binnen mochten komen. Eenmaal binnen bood ik ze onwennig wat te drinken aan. Ze kwamen in verband met de twee verdwenen baby’s.
‘Ja, verschrikkelijk,’ was mijn reactie.
‘U heeft het anders ook niet makkelijk gehad,’ vervolgde een van beiden.
Verwonderd keek ik op.
‘Mogen wij even rond kijken?’
‘Natuurlijk,’ reageerde ik meteen. Ze bleven staan in de lege babykamer. Het behang met vrolijke diertjes en de bijpassende gordijnen verklapten dat dit een babykamer was.
‘Ik heb een aantal maanden geleden een miskraam gehad en inmiddels ook geen relatie meer. Ik heb me er eindelijk toe kunnen zetten om het kamertje leeg te halen, maar de rest moet nog, zoals u ziet.’
De agenten liepen de trap weer af en keken beneden nog een keer rond. Door het raam zagen ze de tuin met de stroken violen erin. De regen van afgelopen nacht had ervoor gezorgd dat alle aarde weer mooi gladgestreken was. Het recente graafwerk was niet meer te zien. Ze liepen weer naar de deur en namen afscheid. Ik deed de deur achter ze dicht en bleef nog even staan. Wat was er gebeurd? Was het goed gegaan, of juist niet? Ik wist niet wat ik ervan moest denken.

Op mijn werk werd ik vermanend toegesproken over mijn afwezigheid. Ik kreeg een formele waarschuwing dat dat niet meer mocht gebeuren. Ik bleef netjes werken, ook toen ik een stevige griep kreeg. Ik moest vooral niet opvallen. Er gingen weken voorbij en ik hoorde niets meer over de verdwenen baby’s. Het ging goed. Ik verbood mezelf naar de gynaecologie afdeling te gaan. Dat kon niet. Althans, dat kon voorlopig niet. Ik moest het deze keer goed voorbereiden. Alles zorgvuldig plannen om nog één keer hier een baby te redden. Echt te redden deze keer.

 
Geschreven voor de verhalenwedstrijd Insomnia.
Een verhaal in het genre thriller/horror in de traditie van Edgar Allan Poe.
~ Maar helaas niet gewonnen! ~

Advertenties

2 gedachtes over “Reddende engel

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s